Image

Onderzoek naar het effect van sociale interventies op buurtleefbaarheid doet stof opwaaien. Maar hoe relevant is het?

Annalies Teernstra Op dinsdag 18 juni 2013 organiseerde het Kennisnetwerk Amsterdam (KNA) een discussieavond met het thema “Werkt de wijkaanpak wetenschappelijk?”. De aanleiding hiervoor was het onlangs verschenen onderzoek van Vasco Lub (2013) naar de effectiviteit van sociale interventies op leefbaarheid in buurten. Het boek heeft veel stof doen opwaaien. In de media verschenen berichten als “wijkprojecten werken niet” en “buurtbarbecue zorgt niet voor leefbare wijk”. Bij het onderzoek is echter een aantal kritische kanttekeningen te plaatsen.
Terwijl problemen in buurten voorheen vooral werden aangepakt met fysieke maatregelen, is er in het afgelopen decennium een enorme toename te zien van sociale interventies, vooral sinds de komst van de wijkaanpak (zie ook Teernstra, 2013). Volgens Lub zijn veel van deze sociale interventies te vrijblijvend: ze zijn vooral gebaseerd op intuïtie over ‘wat werkt’, in plaats van op gefundeerd wetenschappelijk onderzoek. Hij pleit daarom – terecht – voor meer wetenschappelijk onderzoek naar de werkzaamheid van sociale interventies.
 
Wat echter aan velen voorbij lijkt te gaan is dat Lub zélf geen onderzoek heeft gedaan naar de effectiviteit van sociale interventies in de wijkaanpak. In plaats daarvan onderzocht hij of hij in de wetenschappelijke literatuur bewijs kan vinden voor de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de interventies. Zo keek hij bijvoorbeeld of hij wetenschappelijk bewijs kan vinden voor de veronderstelling dat het stimuleren van bewonerscontacten leidt tot verbetering van de leefbaarheid. In totaal onderzocht hij veertien interventietheorieën op hun wetenschappelijke houdbaarheid, waarvan hij er uiteindelijk slechts twee als ‘sterk’ beoordeelt. Deze vorm van onderzoek doen is op zichzelf een geaccepteerde methode in de wetenschap. Maar de vraag is of de manier waarop Lub de interventies aan zijn ‘tucht der wetenschap’ onderwerpt wel tot de juiste conclusies leidt.
 
Causale verbanden en persoonlijke verhalen
Ten eerste richt Lub zich hoofdzakelijk op studies die kwantitatief van aard zijn om de ‘meetbare effecten’ van de interventies te achterhalen. “Deze primaire focus op meetbare effecten vloeit voort uit de wens om een hogere graad van bewijsvoering van wijkinterventies te bereiken” aldus Lub (p. 22). Hij kijkt of in deze studies een causaal verband is gevonden tussen de variabelen (bijvoorbeeld: leidt stimulering van sociale contacten inderdaad tot verbetering van de leefbaarheid?). Het nadeel van veel van dit soort studies is echter dat er gebruikt wordt gemaakt van statistische gegevens op buurtniveau. De buurten betreffen hier administratieve eenheden waar vaak grote aantallen mensen wonen – op een lager schaalniveau zijn vaak geen gegevens beschikbaar. In Amsterdam bijvoorbeeld wonen gemiddeld meer dan elfduizend mensen in een buurt. Sociale interventies zijn doorgaans veel kleinschaliger van aard: ze concentreren zich vaak in een bepaald deel van de wijk en op een (veel) kleiner aantal bewoners. Je kunt je daarom afvragen hoe realistisch het is dat deze interventies een directe verbetering van statistische leefbaarheidscijfers op buurtniveau laten zien.
 
Maar betekent dit dan dat deze interventies niet zinvol zijn? In Lubs onderzoek worden de interventietheorieën bestempeld als ‘zwak’ als hij geen causaal verband vindt tussen de interventie en het resultaat ervan. Tijdens de discussieavond van het Kennisnetwerk leidden deze conclusies tot verdeeldheid in de zaal. Wijkprofessionals en buurtbewoners gaven aan dat ze om zich heen wel degelijk effecten van de interventies zagen. De resultaten van deze interventies zijn echter lastig te meten, omdat er veel verschillende factoren een rol kunnen spelen in de leefbaarheid van buurten. Buurten zijn geen statische eenheden waar oorzaak-gevolgrelaties gemakkelijk te onderscheiden zijn. Van Dijken (2013) betoogt dan ook dat het niet gaat om ‘kille cijfers’ maar om persoonlijke verhalen en vraagt zich terecht af: “Hoeveel mensen moet je persoonlijk raken en verder brengen voordat iets een succes is? Hoe is dat in waarden uit te drukken?”
 
Leefbaarheid: het ultieme doel?
Ten tweede beoordeelt Lub de sociale interventies op hun bijdrage aan de leefbaarheid van buurten. Zoals Lub zelf ook vaststelt is leefbaarheid een containerbegrip. Door VROM (2004) wordt bij leefbaarheid onderscheid gemaakt tussen fysieke wanorde, sociale wanorde en veiligheid. Lub volgt grotendeels deze afbakening (hoewel hij zich wel voornamelijk richt op veiligheid en sociale controle). Dat is begrijpelijk, maar de conclusie dat sociale interventies niet zinvol zijn omdat ze niet direct bijdragen aan buurtleefbaarheid is nogal rigoureus. Hoe zit het bijvoorbeeld met de subjectieve ervaring van leefbaarheid? En valt verbetering van het voorzieningenaanbod, de hoeveelheid groen of speelmogelijkheden niet ook onder leefbaarheid?
 
Bovendien zijn veel sociale interventies in de eerste plaats niet gericht op verbetering van de leefbaarheid, maar op aspecten als competentieontwikkeling, sociale stijging en integratie van bewoners. Deze interventies hebben tot doel om de positie van mensen in minder kansrijke situaties te verbeteren. Zijn deze interventies dan niet zinvol, omdat ze niet direct effect op de leefbaarheid laten zien? Groenendijk e.a. (2010) onderzochten bijvoorbeeld de effecten van zestien sociale stijgingsprojecten in Nederland en concludeerden dat deze projecten in de meeste gevallen wel degelijk iets opleverden. Ze benadrukten dat ‘iets’ alleen moeilijk in cijfers uit te drukken is en dat het een proces van bescheiden stapjes is.
 
Het geheel is meer dan de som der delen
Tot slot onderzoekt Lub interventies in buurten geïsoleerd van elkaar. De Nederlandse wijkaanpak is echter juist gericht op een integrale benadering van zowel sociale, fysieke als economische maatregelen. Zelf heb ik onderzoek gedaan naar de interventies van gemeente en woningcorporaties in de Amsterdamse Transvaalbuurt, één van de veertig Vogelaarwijken (Teernstra, 2013b). In de afgelopen jaren heeft hier een veelheid aan interventies plaatsgevonden op sociaal, economisch en fysiek gebied. Niet alleen volgens wijkprofessionals zelf, maar ook volgens buurtbewoners en statistische gegevens heeft de buurt een aanzienlijke sprong voorwaarts gemaakt. Maar aan welke interventie dit nu precies te wijten is, is moeilijk vast te stellen. Het is eerder te danken aan de combinatie van interventies. Met andere woorden, zoals Boonstra en Hermens (2013) ook concluderen, het geheel is meer dan de som der delen. Maar doordat Lub zich concentreert op de effecten van afzonderlijke interventies, levert zijn onderzoek een beperkte kijk op.
 
Lubs conclusies zijn kort door de bocht
Het onderzoek van Lub is zeker niet zinloos. Er gaat veel geld, tijd en energie om in sociale buurtinterventies en het is dan ook goed om kritisch naar de effecten ervan te kijken. Maar Lubs conclusie dat van de meeste interventies twijfelachtig is dat zij hun gestelde doelen bereiken is kort door de bocht. Mijns inziens is deze conclusie vooral te wijten aan de gebruikte onderzoeksmethoden en de definiëring van het resultaat dat de interventie zou moeten opleveren (focus op leefbaarheid). Naar aanleiding van Lubs onderzoek werden door de media vraagtekens gezet bij de effectiviteit van de wijkaanpak. Maar dat de wijkaanpak zou falen is niet uit het onderzoek op te maken, zoals Fortuin (2013) ook opmerkte. Voorzichtigheid is dan ook geboden bij het trekken van conclusies uit het onderzoek van Lub.
 
Annalies Teernstra is promovenda aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar opwaarderingsprocessen van buurten. Daarnaast is zij Coördinator Den Haag bij Academie van de Stad.
 
Referenties: 
Boonstra, N. en N. Hermens (2013) Hoezo niet werkzaam? Sociale Vraagstukken, 13 mei 2013. http://www.socialevraagstukken.nl/site/2013/05/13/hoezo-niet-werkzaam-2/
 
Fortuin, K. (2013) Onderzoek naar wijkinterventies is heel willekeurig. Sociale Vraagstukken, 21 juni 2013. http://www.socialevraagstukken.nl/site/2013/06/21/onderzoek-naar-wijkinterventies-is-heel-willekeurig/
 
Dijken, Dieneke van (2013), Al ons werk voor niets? De Bakkerij, 2 mei 2013. http://www.debakkerij.org/nieuws/al-ons-werk-voor-niets/
 
Groenendijk, J., M. de Groot en M. van der Gugten (2010) Sociale stijging: tussen droom en daad.  Platform Corpovenista.
 
Lub, V. (2013) Schoon, heel en werkzaam? Een wetenschappelijke beoordeling van sociale interventies op het terrein van buurtleefbaarheid. Boom Lemma Uitgevers, Den Haag.
 
Ministerie van VROM (2004) Leefbaarheid van wijken. Den Haag: VROM.
 
Teernstra, Annalies (2013a) Opwaardering van buurten door gemeenten en woningcorporaties: dezelfde doelen, dezelfde motieven? Nova Terra, juni 2013.
 
Teernstra, Annalies (2013b) Contextualizing state-led gentrification: goals of governing actors in generating upgrading. Work in progress.